De soos als PIN-automaat

15-1-2008

Eigenlijk weet ik weinig van armoede. Natuurlijk, ik weet dat het er is. Ik ken de cijfers: sinds jaar en dag staat vast staat dat het ruim een half miljoen huishoudens en zo’n miljoen mensen betreft. Dat is toch zo’n 6 à 7 procent van de bevolking. Bepaald niet weinig dus.

Dat armoede geen pretje is weet ik omdat ik als voorzitter van de stichting Belangenbehartiging Amsterdamse Dak- en Thuislozen (BADT) soms te midden van mensen vertoef die helemaal voorbij de armoedegrens zijn, op straat leven en – op zijn minst – enigszins verwarrend en chaotisch overkomen. Het leven is voor hen vaak afzien, maar voor de harde kern van onze belangenclub is het ook een levenswijze. Geworden, haast ik er dan snel achter te zeggen, want of hier sprake is van vrije keuze valt te betwijfelen. Wel verbaast het me dat de harde kern niet alles op alles zet om een gewoon leven te leiden. Ze lijken hun bestaan aan de koude onderkant van de samenleving ook te recyclen. Maar ik weet niet of dat nu uit onvermogen is of uit een hang naar onaangepastheid of door de ban van lijdzaamheid waar je in terecht kunt komen als het leven uitzichtloos wordt en je buiten de normale werkelijkheid komt te staan.
Maar goed, het aantal daklozen is relatief gezien maar een kleine groep op het geheel van een miljoen armoezaaiers. Vele honderdduizenden zijn arm met een dak boven hun hoofd. Hoe doen ze dat? Ja, er staat af en toe een stukje in de krant, soms zie je een flits op de televisie of lees je een reportage in een weekblad over de worsteling van mensen om rond te komen, maar op een of andere manier blijft het bij mij niet hangen. Echt een idee over het leven op de armoedegrens heb ik dus niet.

Ik moet schrijven: had ik niet. Want ik heb de dagen van nationale welvaart, de week rondom Kerstmis, gebruikt om het boek van Mirjam Pool, Alle dagen schuld. Praktijkverhalen over armoede te lezen. Daar – ik geef het eerlijk toe – was ik zelf niet opgekomen. Mijn eigen uitgever (Augustus, die ook Mirjam Pools boek heeft uitgegeven) had het me in de hand gedrukt met de verplichtende opdracht: dat moet je lezen. Nu ja, dan doe je dat.

Pfff… Een prachtig boek. Een afschuwelijk boek. Kortom, een geweldig boek.

Mirjam Pool heeft anderhalf jaar in Almelo gebivakkeerd. Daar heeft ze een aantal mensen gevolgd die diep in de schulden zitten, afhankelijk zijn van de ‘soos’ (sociale dienst), en met enige tientallen euro’s per week moeten rondkomen. Ze logeerde bij Nolda Schepers (68) en Herman Schepers (77), twee gedreven vrijwilligers die het boodschappenproject in Almelo runnen. Zij brengen boodschappenpakketten rond bij mensen die het nodig hebben. Dat zijn mensen die wachten op een uitkering of uit de uitkering zijn gezet, gescheiden, mishandeld en dus even totaal aan de grond zitten. Een paar keer per week worden er zo tientallen pakketten in Almelo afgeleverd. Die noodhulp is vooral tijdelijk, de strenge Nolda Schepers laat geen moment voorbij gaan om dat te onderstrepen: want mensen mogen er niet afhankelijk van worden.

Het meest intrigerend in het boek zijn echter de ontmoetingen van Mirjam Pool met de koppels Dennis en Chantal, Angela en Erik, Sandra en Patrick. Zij bezorgden mij hetzelfde troosteloze gevoel wat mij ook wel eens bij mijn Amsterdamse dak- en thuislozen bekruipt. Zeker als ik de beide heren Erik en Patrick hoorde praten. Die geven iedereen en alles (behalve zichzelf) de schuld, vinden alles onredelijk, zien de ‘soos’ als een pinautomaat en willen zich in principe op geen enkele manier ergens invoegen. Mirjam Pool beschrijft dat zo clean mogelijk, maar ik betrapte mezelf een paar keer tijdens het lezen op het toeschreeuwen van deze hoofdpersonen: ‘Hé, lul, kom op zeg.’ ‘Doe wat, man.’

Maar ja, als je dan hun geschiedenis verneemt…ja, dan begint het begrip al weer bezit van de lezer te nemen. Het is geen onwil, maar ook onvermogen. Armoede reproduceert zich over vele generaties. Bovendien trof Mirjam Pool in Almelo ook nog mensen (overigens allemaal vrouwen) die …ja, die wat eigenlijk….die normaal deden, die in alle ellende de tering naar de nering wisten te zetten en die je als lezer onmiddellijk in de armen kon sluiten. Voor hen hebben we in Nederland inderdaad de bijstand. Maar dan word je ineens weer wakker geschud door Patrick en Erik, die net nadat je een beetje begrip voor ze hebt gekregen, zo ongeveer de boodschappenpakketten van Nolda Schepers verkwanselen. Daar valt toch nauwelijks een land mee te bezeilen.
Dat zijn mijn woorden. Mirjam Pool registreert alleen, soms spreekt ze hen tegen, maar een oordeel laat ze aan de lezer over. Die zadelt ze daarmee wel met een stevig probleem op. Want moet je met deze types? Ze gedragen zich hoogst onverantwoordelijk, weten precies hoe de hazen lopen, rommelen wat in de informele economie en slagen er steeds weer in om aan de noodzaak ontsnappen om gewoon eens zonder grote mond aan het werk te gaan. Desnoods sluiten ze weer een lening af om andere schulden af te lossen. In het oneindige rijke Nederland zitten ze – en misschien is dat maar goed ook - nooit helemaal aan de grond. Ze drinken elke dag hun bier, ze redden zich. In hun ogen zijn mijn verwarde Amsterdamse dak- en thuislozen domme losers. Geen moment denken ze dat hun dat overkomt. Sterker, als lezer weet je ook dat hen dat niet zal overkomen. Als het bij hen misgaat, verdwijnen ze niet op straat, maar in de gevangenis..

En dat is precies de ontrechtvaardigheid die langzaam maar zeker tot me doordrong. Verwarde types vallen door de mazen van het net, maar de jongens-met-de-grote-mond rommelen zich met behulp van de bijstand, welwillende hulpverleners en het altijd wel ergens meebuigende ondersteuningssysteem een leven lang langs de randen van de armoede. Wat moet je met deze types? Mes op de keel, uitkeringen weigeren? Dat gebeurt al, dankzij de Wet Werk en Bijstand; het systeem verhardt zich voortdurend. Maar Mirjam Pool laat toch vooral ook zien dat het zo eenvoudig niet is. Wat in generaties is gemaakt, vernader je niet per wet. Bovendien treft deze strenge aanpak juist ook de mensen die hun stinkende best doen.
Voor hen zou je de bijstand met twintig procent moeten verhogen. Maar bij de Almelose Tokkies ontkurken ze dan de champagneflessen. Wie hen een schop onder de kont wil geven, raakt in Nederland al snel de verkeerde mensen.

Een ondraaglijke conclusie. Daarom is het zo’n geweldig boek.

Als column verschenen in TSS tijdschrift voor sociale vraagstukken – 2008, nr. 1/2

Pfff… Een prachtig boek. Een afschuwelijk boek. Kortom, een geweldig boek.|Jos van der Lans
4 sterren