Blog
Jeremy

Hij woonde in Almelo, ik in Amsterdam. Telkens als ik voor een paar dagen met de trein naar het oosten vertrok om onderzoek te doen voor mijn boek, verheugde ik me erop om hem weer te zien. En steeds als ik weer op de terugweg was, in de trein naar het westen, treurde ik om hem. Omdat ons weerzien veel te kort was geweest, omdat ik hem opnieuw moest achterlaten. Ik denk niet dat hij het zelf zo ervaren heeft, maar dat maakt me niet uit. Ik had en heb een levensgrote zwak voor Jeremy.

Jeremy is nu zes jaar oud en is een jochie uit een prentenboek. Helderblauwe ogen, een bos hoogblonde krullen, een guitig gezicht. Hij is slim en wijs, heeft een verrassend rijk vocabulaire en een enorm talent voor fantaseren. Als hij mijn broertje of neefje was geweest, had ik iedereen tot vervelens toe achtervolgd met mijn trotse verhalen. Maar hij is mijn broertje niet, is zelfs in de verste verte nog geen neefje. Hij is één van de vele kinderen die ik heb ontmoet gedurende mijn onderzoek naar armoede. De verhalen die ik over hem vertel zijn gedrenkt in treurigheid.

Tijdens mijn onderzoek ben ik bij meerdere achterstandsfamilies over de vloer geweest. Ondanks de gastvrijheid, de humor en de ongelooflijke veerkracht die ik er tegenkwam, werd ik er uiteindelijk niet vrolijk van. De levens van de volwassenen waren vaak al droevig genoeg, maar wat me telkens het meeste trof was die ellendige uitzichtsloosheid waarin hun kinderen opgroeiden.

Natuurlijk waren er tijdens mijn zoektocht uitzonderingen; ik heb ook ouders ontmoet die door pech en tegenslag of ziekte in een diep financieel dal terecht zijn gekomen, maar wel in staat zijn om hun kinderen alle kans te bieden om zelf een leven met minder zorgen en minder problemen tegemoet te gaan. Maar dit zijn gezinnen die je bijna nooit het stempel ‘achterstand’ zou meegeven. De ouders van Jeremy – beiden in de twintig - komen wel uit typische achterstandsmilieus. Als je weet wie hún ouders zijn en hoe ze bij hen zijn opgegroeid, dan weet je al min of meer automatisch wat ze zelf als ouders aan hun kinderen zullen doorgeven. Het is bitter, maar waar.

Jeremy – niet zijn echte naam - en zijn broertje en zusje groeiden op bij een alcoholistische vader en een moeder met een lichte verstandelijke beperking. Hij woonde in een smerig huis waar op alle terreinen wanorde heerste en waar zeker wel ouderliefde was, maar het ontbrak aan elke vorm van pedagogisch inzicht. Zijn ouders leefden van een bijstandsuitkering, maar hadden vanwege schulden en merkwaardige administratieve dwalingen van onder andere de Belastingdienst vaak maar een paar tientjes per week om van te leven. Spanningen en frustraties werden op de kinderen afgereageerd. Jeremy had iets schrikachtigs en kroop regelmatig weg achter de bank. Vaak, als ik weer wegfietste met tranen in mijn ogen, dacht ik: ik moet niet schrijven, ik moet actie ondernemen. Nu. Ik moet de hulpverlening in in plaats van thuis achter de computer te kruipen en het leven van Jeremy in woorden te vatten. Maar er cirkelden al allemaal hulpverleners om het gezin heen. Ik zou daaraan niets toe te voegen hebben. En bovendien: ik zou een slechte hulpverlener zijn. Ik zou nooit kunnen opboksen tegen de moedeloosheid.

Ik schrijf het maar op zoals het is, maar wel met gemengde gevoelens. Zoals vaker voel ik me een halve verrader. Jeremy’s ouders, die me keer op keer in opperste gastvrijheid in hun huis en in hun leven hebben toegelaten, zullen het niet leuk vinden dat ik zo over hen vertel. Ook al hebben we deze onderwerpen besproken en weten ze dat ik niet over alles hetzelfde denk als zij – en ben ik allerminst de eerste die zoiets laat merken - , om op deze manier over hun leven terug te lezen kan niet anders zijn dan pijnlijk. Toch doe ik het. Als ik het niet zou doen, zou ik mijn werk niet goed doen. Ik kan niet pretenderen een maatschappelijk verschijnsel in beeld te brengen – want daar gaat het me tenslotte om - en tegelijk een wezenlijk aspect daarvan verbloemen. Sommige dingen zijn helaas nu eenmaal pijnlijk.

Ik heb trouwens geen hekel aan Jeremy’s ouders. Sterker nog: ik mag hen. Ze zijn beslist geen slechte mensen; als ouders handelen ze naar vermogen, maar ze schieten tekort. Dat oordeel durf ik mij wel aan te matigen. Het is te moeilijk voor ze, het is teveel. En dat dat zo is, is helemaal niet verwonderlijk als je weet waar ze zelf vandaan komen. Hoezeer ze tegelijk ook van hun kinderen houden en hoezeer ze ook hun best willen doen om het wel goed te doen. Ze waren intens en hartverscheurend verdrietig toen de kinderen op last van de kinderrechter uit huis werden geplaatst en ondergebracht bij pleeggezinnen.

Het boek is al een poosje af. Ik kom nog steeds in Almelo, maar Jeremy zal ik er niet meer zien. Ik weet niet waar hij tegenwoordig woont, zijn ouders weten het ook niet. Het enige tastbare wat ik van hem heb is een tekening van een brandweerwagen. Voor de rest zijn er de zinnen die ik over hem heb geschreven en de zinnen die ik ongetwijfeld nog over hem schrijven zal.